Internationale verklaring van de rechten van de vrouw

INTERNATIONALE VERKLARING OVER OP VROUWEN GEBASEERDE RECHTEN (VROUWENCAMPAGNE VOOR VROUWEN) (zie A)

Deze verklaring is de herbevestiging van de op vrouwen gebaseerde rechten van vrouwen, inclusief de rechten van vrouwen op fysieke en reproductieve rechten; integriteit en de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen en meisjes die voortvloeien uit de vervanging van sekse door die van ‘genderidentiteit’ en van ‘surrogaat’ moederschap en gerelateerde praktijken.

Introductie

Deze verklaring bevestigt de op sekse (geslacht) gebaseerde rechten van vrouwen die zijn vastgelegd in het Verdrag inzake de Afschaffing van alle vormen van discriminatie van vrouwen, aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 18 december 1979 (CEDAW), verder ontwikkeld in de algemene aanbevelingen van het CEDAW – comité, en aangenomen onder meer in de Verklaring van de Verenigde Naties over de uitbanning van geweld tegen vrouwen 1993 (UNDEVW).

Artikel 1 van het CEDAW definieert discriminatie van vrouwen als “elk onderscheid, uitsluiting of beperking op grond van geslacht die tot gevolg heeft dat de erkenning wordt aangetast of teniet wordt gedaan, geneugten of lichaamsbeweging door vrouwen, ongeacht hun burgerlijke staat, op basis van gelijkheid van mannen en vrouwen, van mensenrechten en fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal, cultureel, civiel of ander gebied. ”

Sekse wordt door de Verenigde Naties gedefinieerd als ‘de fysieke en biologische kenmerken die mannen onderscheiden van vrouwen. ’’ (Glossarium voor gendergelijkheid, UN Women).

Het CEDAW legt de staten die partij zijn verplichtingen op om ‘‘alle passende maatregelen te nemen, te wijzigen of af te schaffen waaronder wetgeving, bestaande wetten, voorschriften, gebruiken en praktijken die discriminatie vormen t.o.v. vrouwen. ’(artikel 2 (f)); en om op alle gebieden passende maatregelen, waaronder wetgeving, te nemen om het volledige te waarborgen ontwikkeling en vooruitgang van vrouwen, teneinde hen de uitoefening en de gebruik van mensenrechten en fundamentele vrijheden op basis van gelijkheid met mannen te garanderen.” (artikel 3).

Het is al lang bekend op het gebied van mensenrechten dat de stereotiepe sekse-rollen van mannen en vrouwen een fundamenteel aspect zijn van de ongelijkheid van vrouwen en moeten worden geëlimineerd.

Artikel 5 van het CEDAW bepaalt:
“Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen
1. Om de sociale en culturele gedragspatronen van mannen en vrouwen aan te passen, met het oog op het bereiken van de eliminatie van vooroordelen en gebruikelijke én alle andere praktijken die zijn gebaseerd op het idee van de inferioriteit of de superioriteit van een van beide geslachten of stereotiepe rollen voor mannen en vrouwen. ’

2. Gender verwijst naar ‘de rollen, gedragingen, activiteiten en attributen die een bepaalde samenleving op een bepaald moment geschikt heeft geacht voor mannen en vrouwen.
Deze bijdragen, mogelijkheden en relaties zijn sociaal geconstrueerd en worden geleerd door socialisatieprocessen. ’'(Gender Equality Glossary, VN-vrouwen).

Recente wijzigingen die verwijzingen naar de categorie geslacht/sekse, die biologisch is, vervangen door de taal van ‘gender’, hetgeen verwijst naar stereotiepe sekserollen, in documenten, strategieën en acties van de Verenigde Naties, heeft geleid tot verwarring en het risico de bescherming van de mensenrechten van vrouwen te ondermijnen.

De verwarring tussen sekse en ‘gender’ heeft bijgedragen aan de toenemende acceptatie van het idee van aangeboren ‘genderidentiteiten’, en heeft geleid tot de bevordering van een recht op bescherming van dergelijke ‘identiteiten’, uiteindelijk leidend tot de erosie van de winsten die vrouwen gedurende decennia hebben gemaakt. De rechten van vrouwen, die zijn bereikt op basis van geslacht/sekse, worden nu ondermijnd door de opname in internationale documenten van concepten zoals ‘genderidentiteit’ en ‘Sexual Orientations and Gender Identities (SOGIES)’.

Seksuele oriëntatie rechten zijn noodzakelijk om discriminatie tegen degenen die seksueel zijn aangetrokken tot personen van hetzelfde geslacht, uit te bannen. Rechten met betrekking tot seksuele geaardheid zijn verenigbaar met de sekse van vrouwen op basis van rechten, en zijn noodzakelijk om lesbiennes, wier seksuele gerichtheid op andere vrouwen is, in staat te stellen hun op geslacht gebaseerde rechten volledig uit te oefenen.

Het concept van ‘genderidentiteit’ maakt echter sociaal geconstrueerde stereotypen, die zich organiseren en de ongelijkheid van vrouwen handhaven, tot essentiële en vaste omstandigheden, waardoor de op sekse gebaseerde basis van vrouwenrechten wordt ondermijnd.

De Yogyakarta-principes stellen bijvoorbeeld dat:
“Onder genderidentiteit een verwijzing wordt verstaan​​ naar de diep gevoelde interne en individuele ervaring van elk persoon, dat al dan niet overeenkomt met het geslacht dat bij de geboorte is toegewezen, inclusief het persoonlijke gevoel van het lichaam (wat kan inhouden dat er vrij kan worden gekozen voor, aanpassing van het lichaamsbeeld of functie door medische, chirurgische of andere middelen) en andere uitingen van bepaald geslacht, waaronder kleding, spraak en gedrag. ’’ (Yogyakarta Principles: Principles on the application of internationals human rights law in relatie tot seksuele geaardheid en genderidentiteit, maart 2007).

Het recht van individuen om zich te kleden en zich te presenteren naar keuze is verenigbaar met de op sekse gebaseerde rechten van vrouwen. Echter het concept van ‘genderidentiteit’ heeft mannen die een vrouwelijke ‘genderidentiteit’ claimen, in staat gesteld om qua wet, beleid en praktijk vast te leggen, dat ze lid zijn van de categorie vrouwen, gebaseerd op sekse.

Algemene aanbeveling nr. 35 van het CEDAW merkt op dat “Algemene aanbeveling nr. 28 in de kern verplichtingen van staten die partij zijn op grond van artikel 2 van het verdrag én algemene aanbeveling nr. 33 betreffende de toegang van vrouwen tot de rechter, bevestigt dat discriminatie van vrouwen onlosmakelijk verbonden is met andere factoren die hun leven beïnvloeden. De jurisprudentie van de commissie benadrukt dat dit bv. kan zijn … lesbisch zijn.” (II, 12).

Het concept van ‘genderidentiteit’ wordt gebruikt om de rechten van individuen aan te vechten om hun seksuele geaardheid te definiëren op de basis van sekse in plaats van ‘genderidentiteit’, waardoor mannen die een vrouwelijke ‘geslachtsidentiteit’ claimen, kunnen proberen af te dwingen  opgenomen worden in de categorie lesbisch, wat een categorie is op basis van sekse. Dit ondermijnt de sekse-gebaseerde rechten van lesbiennes- en is een vorm van discriminatie van vrouwen.

Sommige mannen die een vrouwelijke ‘genderidentiteit’ claimen, willen opgenomen worden in de wettelijke categorie van moeder. De CEDAW benadrukt de rechten van moeders en de ‘maatschappelijke betekenis van moederschap’. Rechten en diensten van moeders zijn gebaseerd op het unieke vermogen van vrouwen om zwanger te worden en kinderen te baren. Het opnemen van mannen die beweren een vrouwelijke ‘genderidentiteit’ te hebben, binnen de wettelijke categorie moeder, tast de maatschappelijke betekenis van moederschap aan, en ondermijnt de moederrechten waarin het CEDAW voorziet.

In de Verklaring en het Actieplatform van Beijing (1995) staat dat:
“De expliciete erkenning en herbevestiging van het recht van alle vrouwen om alle aspecten van hun te controleren gezondheid, in het bijzonder hun eigen vruchtbaarheid, de basis is voor hun empowerment.” (Bijlage 1, 17)

Dit recht wordt ondermijnd door het gebruik van ‘surrogaat’ moederschap, dat vrouwen exploiteert en voortplantingsvermogen commodificeert (zie B). De exploitatie en commodificatie van het reproductievermogen van vrouwen vormt ook de basis voor medisch onderzoek dat erop gericht is mannen in staat te stellen zwanger te worden en kinderen te baren.

De opname van mannen die een vrouwelijke ‘genderidentiteit’ claimen in de wettelijke categorieën vrouw, van lesbisch en van moeder,dreigt alle betekenis uit deze categorieën te verwijderen, omdat het een ontkenning van de biologische realiteit vormt waarop de status van vrouw, lesbienne en moeder zijn gebaseerd.

Organisaties die het concept van ‘genderidentiteit’ promoten, dagen het recht van vrouwen en meisjes uit om zichzelf op basis van geslacht/sekse te definiëren, te verzamelen en te organiseren op basis van hun gemeenschappelijke belangen als een sekse.

Dit omvat het betwisten van de rechten van lesbiennes om hun seksuele geaardheid te definiëren op basis van sekse in plaats van ‘genderidentiteit’ en zich te verzamelen en te organiseren op basis van hun gemeenschappelijke seksuele geaardheid.

In veel landen proberen overheidsinstanties, openbare lichamen en particuliere organisaties personen te dwingen om individuen te identificeren en ernaar te verwijzen op basis van ‘genderidentiteit’ in plaats van op basis van geslacht/sekse. Deze ontwikkelingen van discriminatie van vrouwen vormen en ondermijnen het recht van vrouwen op vrijheid van meningsuiting, vrijheid van geloof en vrijheid van vergadering.

Mannen die de genderidentiteit van een vrouw claimen, krijgen toegang tot de ingestelde kansen en beveiligingen voor vrouwen. Dit vormt een vorm van discriminatie van vrouwen en brengt de grondrechten van vrouwen qua veiligheid, waardigheid en gelijkheid in gevaar.

Artikel 7 van het CEDAW bevestigt het belang van maatregelen in 2011 om discriminatie van vrouwen uit te bannen uit het politieke en openbare leven, en artikel 4 bevestigt het belang van tijdelijke speciale maatregelen mbt de facto gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Wanneer mannen beweren dat vrouwelijke ‘genderidentiteiten’ zijn toegestaan binnen de participatie quota voor vrouwen en andere speciale maatregelen om de participatie van vrouwen te vergroten in het politieke en openbare leven, het doel van dergelijke speciale maatregelen voor het bereiken van gelijkheid voor vrouwen, is ondermijnd.

Artikel 10 (g) van het CEDAW roept staten die partij zijn op, om ervoor te zorgen dat vrouwen dezelfde kansen krijgen als mannen om actief deel te nemen aan sport en lichamelijke opvoeding. Vanwege de fysiologische verschillen tussen vrouwen en mannen, vereist de uitoefening van dit recht door vrouwen dat bepaalde sportactiviteiten dezelfde sekse betreffen.

Wanneer mannen claimen dat vrouwelijke ‘genderidentiteiten’ zijn toegestaan ​​om deel te nemen aan sport voor vrouwen, vallend onder activiteiten van één sekse, worden vrouwen blootgesteld aan een oneerlijk concurrentienadeel en kunnen ze een verhoogd risico lopen op lichamelijk letsel. Dit ondermijnt het vermogen van vrouwen en meisjes om dezelfde kansen als mannen te hebben bij deelnemen aan sport, en vormt daarom een ​​vorm van discriminatie van vrouwen en meisjes, die moet worden geëlimineerd.

Het is al lang bekend op het gebied van mensenrechten dat geweld tegen vrouwen en meisjes universeel hardnekkig is en één van de cruciale sociale mechanismen is waardoor vrouwen in een ondergeschikte positie worden gedwongen vergeleken met mannen.

De Verklaring van de Verenigde Naties over de uitbanning van geweld tegen vrouwen erkent dat:
“Geweld tegen vrouwen een manifestatie is van historisch ongelijke machtsverhoudingen tussen mannen en vrouwen, die hebben geleid tot overheersing en discriminatie van vrouwen door mannen en een preventie is van de volledige vooruitgang van vrouwen, en dat geweld tegen vrouwen een van de cruciale sociale mechanismen is waardoor vrouwen in een ondergeschikte positie worden gedwongen vergeleken met mannen.”

Deze overheersing en discriminatie is gebaseerd op sekse/geslacht en niet op ‘genderidentiteit’. De combinatie van de categorie sekse met de categorie ‘genderidentiteit’, belemmert de bescherming van vrouwen en meisjes van  geweld; tégen hen gepleegd door mannen en jongens. Het maakt mannen die menen dat ze een vrouwelijke ‘genderidentiteit’ hebben, steeds vaker mogelijk om toegang te krijgen tot slachtofferhulp die bedoeld is voor vrouwen, alsook diensten en ruimten zowel als service gebruikers en als dienstverleners. Dit omvat gespecialiseerde single-sekse voorzieningen voor vrouwen en meisjes die het slachtoffer zijn geweest van geweld, zoals schuilplaatsen en zorginstellingen.

Het omvat ook andere diensten waarbij het aanbieden van één sekse cruciaal is voor de bevordering van de fysieke veiligheid, gezondheid, privacy en waardigheid van vrouwen en meisjes. De aanwezigheid van mannen in ruimtes voor vrouwen van hetzelfde geslacht/sekse en diensten, ondermijnt de rol van deze diensten bij de bescherming van vrouwen en meisjes, en kan vrouwen en meisjes die kwetsbaar zijn voor gewelddadige mannen, die een vrouwelijke ‘genderidentiteit’ kunnen claimen.

Het CEDAW-comité onderstreept in zijn algemene aanbeveling 35 het belang van het verzamelen van gegevens en het opstellen van statistieken met betrekking tot de prevalentie van verschillende vormen van geweld tegen vrouwen, in relatie tot effectieve maatregelen om dergelijk geweld te ontwikkelen, te voorkomen en recht te zetten.

Op basis van Sekse uitgesplitste gegevens zijn gegevens die naar geslacht/sekse zijn gecategoriseerd en waarvoor informatie afzonderlijk wordt gepresenteerd van mannen en vrouwen, jongens en meisjes.

Sekse-uitgesplitste gegevens weerspiegelen rollen, reële situaties, algemeen omstandigheden van vrouwen en mannen, meisjes en jongens in elk aspect van de samenleving. … Wanneer gegevens niet zijn uitgesplitst naar geslacht/sekse, is het moeilijker om echte en potentiële ongelijkheden te identificeren. ” (UN Women, Gendergelijkheid Woordenlijst).

De combinatie van sekse met ‘genderidentiteit’ leidt tot het verzamelen van gegevens over geweld tegen vrouwen en meisjes, hetgeen onnauwkeurig en misleidend is, omdat het daders van geweld identificeert op basis van hun ‘genderidentiteit’ in plaats van hun geslacht/sekse. Dit vormt een belangrijke belemmering voor de ontwikkeling van effectieve wetten, beleid, strategieën en acties gericht op de uitbanning van geweld tegen vrouwen en meisjes.

Het concept van ‘genderidentiteit’ wordt steeds vaker gebruikt om ‘geslacht opnieuw toe te wijzen’, kinderen die zich niet naar sekse gehouden stereotypen gedragen, of die worden gediagnosticeerd met genderdysforie. Medische interventies met een hoog risico op langdurige nadelige gevolgen voor de lichamelijke of psychische gezondheid van een kind, zoals het gebruik van puberteit onderdrukkende hormonen, geslachtshormonen en chirurgie worden gebruikt bij kinderen die niet ontwikkelings bevoegd zijn om volledige, vrijwillige en geïnformeerde toestemming te geven. Dergelijke medische interventies kunnen gevolgen  veroorzaken van blijvende nadelige lichamelijke gezondheidseffecten, waaronder steriliteit, evenals negatieve effecten op psychische gezondheid.

SAMENVATTING

Herinnerend aan de inzet voor gelijke rechten en inherente menselijke waardigheid van vrouwen en mannen en andere doeleinden en principes vervat in het Handvest van de Verenigde Naties, de Universele Verklaring van de rechten van de mens en andere internationale mensenrechteninstrumenten, met name het Verenigde Naties-verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW), en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind (UNCRC), evenals de verklaring van de Verenigde Naties over de uitbanning van geweld tegen vrouwen, de verklaring van de Verenigde Naties over het recht op ontwikkeling, de verklaring van de Verenigde Naties over de rechten van inheemse volkeren, het Verdrag van de Raad van Europa betreffende het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (‘Verdrag van Istanbul’), het Protocol bij het Afrikaanse handvest voor de rechten van de mens en de rechten van de vrouw in Afrika (‘Maputo Protocol ’), en het Inter-Amerikaanse Verdrag inzake preventie, bestraffing en uitroeiing van geweld Tegen vrouwen (‘Belem do Para Convention ’’).

Herbevestigend een verbintenis, om te zorgen voor de volledige uitvoering van de mensenrechten van vrouwen en meisjes als een onvervreemdbaar, integraal en ondeelbaar onderdeel van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden.

Erkenning van de overeenstemming en de vooruitgang die is geboekt in het vorige hoofdstuk van de Verenigde Naties conferenties en topconferenties, waaronder het Internationale Vrouwenjaar in 1975, Mexico-Stad, het Verenigd Koninkrijk Nations Decade for Women in Kopenhagen in 1980, het United Nations Decade for Women in Nairobi in 1985, de Wereldtop over kinderen in New York in 1990, de Aardetop over Milieu en Ontwikkeling in Rio de Janeiro in 1992, de Wereldconferentie over de mensenrechten in Wenen in 1993, de Internationale conferentie over bevolking en ontwikkeling in Caïro in 1994, de Wereldtop over sociaal Ontwikkeling in Kopenhagen in 1995 en de Wereldconferentie over vrouwen in Beijing in 1995 met de doelstelling om gelijkheid, ontwikkeling en vrede te bereiken.

Erkennend dat in de eerste decennia van de mensenrechtenbenadering van de Verenigde Naties er een duidelijk begrip was dat discriminatie van vrouwen gebaseerd was op sekse.

Vaststellend dat mensenrechten overeenkomsten, beleid, strategieën, acties en documenten erkennen dat stereotypen van geslachtsrollen, nu vaker ‘genderstereotypen’ genoemd, schadelijk zijn voor vrouwen en meisjes.

Erkennend dat het duidelijke concept van stereotypering van sekse-rol nu verward is door het gebruik van de gender-taal.

Bezorgd dat het concept van ‘genderidentiteit’ is opgenomen in veel invloedrijke, maar niet-bindende, internationale mensenrechten documenten.

Opmerkend dat het gebruik van de taal van ‘gender’ in plaats van geslacht/sekse, ruimte heeft geboden aan de ontwikkeling van een concept van ‘genderidentiteit’ waarin sekse-stereotypen worden gezien als aangeboren en essentieel, wat op zijn beurt de basis heeft gevormd voor een erosie van de winst in de mensenrechten van vrouwen en meisjes.

Bezorgd dat mannen die aanspraak maken op een vrouwelijke ‘genderidentiteit’ qua wet, beleid en praktijk beweren dat ze lid zijn van de categorie vrouwen, en dat dit resulteert in de erosie van de mensenrechten van vrouwen.

Bezorgd dat mannen die aanspraak maken op een vrouwelijke ‘genderidentiteit’ qua wet, beleid en praktijk en beweren dat seksuele geaardheid is gebaseerd op ‘genderidentiteit’ in plaats van op geslacht/sekse, en zo proberen te worden opgenomen in de categorie lesbisch; resulteert in de erosie van de op sekse gebaseerde mensenrechten van lesbiennes.

Bezorgd dat sommige mannen die aanspraak maken op een vrouwelijke ‘genderidentiteit’ en vanuit die optiek claimen te moeten worden opgenomen in de juridische categorie van moeder in wet, beleid en praktijk, en dat een dergelijke opname de sociale betekenis van moederschap en de moederrechten ondermijnt.

Bezorgd over de uitbuiting en commodificatie van het reproductievermogen van vrouwen die het moederschap van ‘surrogaat’ ondersteunen. (noot vertaler: zie B)

Bezorgd over de uitbuiting en commodificatie van het reproductievermogen van vrouwen die ten grondslag ligt aan medisch onderzoek dat erop gericht is mannen in staat te stellen om te zwanger worden en kinderen te baren.

Bezorgd dat organisaties die het concept van ‘genderidentiteit’ promoten, proberen het recht beperken om over ‘genderidentiteit’ een mening te hebben en te uiten, door pogingen van overheidsinstanties te promoten, openbare lichamen en particuliere organisaties om sancties en straffen te gebruiken om personen te dwingen zich te identificeren als individuen op basis van ‘genderidentiteit’ in plaats van geslacht/sekse.

Bezorgd dat het concept van ‘genderidentiteit’ wordt gebruikt om het recht van vrouwen en meisjes en het samenkomen cq verenigen van vrouwen en meisjes op basis van hun sekse en zonder mannen die beweren vrouwelijke ‘geslachtsidentiteiten’ te hebben, te ondermijnen.

Bezorgd dat het concept van ‘genderidentiteit’ wordt gebruikt om het recht van lesbiennes te ondermijnen om hun seksuele geaardheid te definiëren op basis van geslacht/sekse, en het samenkomen cq verenigen op basis van hun gemeenschappelijke seksuele geaardheid, zonder mannen die claimen vrouwelijke ‘geslachtsidentiteiten’ te hebben.

Bezorgd dat de opname van mannen en jongens die beweren vrouwelijke ‘geslachtsidentiteiten’ in competities en te winnen prijzen welke gereserveerd zijn voor vrouwen en meisjes, inclusief competitiesporten en beurzen, hetgeen discriminatie van vrouwen en meisjes vormt.

Bezorgd dat de combinatie van sekse en ‘genderidentiteit’ leidt tot het opnemen van onnauwkeurige en misleidende gegevens die worden gebruikt bij het plannen van wetten, beleid en acties met betrekking tot werkgelegenheid, gelijke beloning, politieke participatie en verdeling van staatsfondsen, onder andere, waardoor het nemen van maatregelen om alle vormen van discriminatie van vrouwen en meisjes uit te bannen en de bevordering van het vooruitgang van vrouwen en meisjes in de samenleving effectief wordt belemmerd.

Bezorgd dat beleid dat is gebaseerd op het concept ‘genderidentiteit’ wordt gebruikt door de staats-agentschappen, openbare lichamen en particuliere organisaties op manieren die het voortbestaan ​​van vrouwen voorzieningen bedreigen, waaronder slachtofferhulp en gezondheidszorg.

Bezorgd dat het concept van ‘genderidentiteit’ wordt gebruikt om het binnendringen van mannen en jongens in ruimtes voor vrouwen en meisjes welke zijn gericht op het beschermen van de veiligheid, privacy en waardigheid van vrouwen en meisjes, en op ondersteuning van vrouwen en meisjes die het slachtoffer zijn geweest van geweld.

Bezorgd dat de combinatie van sekse en ‘genderidentiteit’ leidt tot het opnemen van onnauwkeurige en misleidende gegevens over geweld tegen vrouwen en meisjes, waardoor de ontwikkeling wordt belemmerd van effectieve maatregelen om dergelijk geweld uit te bannen.

Bezorgd dat het concept van ‘genderidentiteit’ wordt gebruikt om het geslacht van daders te verbergen van sekse-specifieke misdaden, zoals verkrachting en andere seksuele delicten, waardoor effectieve gerichte maatregelen worden gehinderd bij het verminderen van dergelijke misdaden.

Bezorgd dat het wissen van geslacht-specifieke acties, strategieën en beleid voor vrouwen en meisjes, tientallen jaren werk van de Verenigde Naties om het belang van diensten voor alleen vrouwen te erkennen in rampzones, vluchtelingenkampen en gevangenissen zal ondermijnen en in elke context waar het gebruik van gemengde sekse een bedreiging zou vormen voor de veiligheid, waardigheid en bescherming van vrouwen en meisjes; en met name kwetsbare vrouwen en meisjes.

Benadrukkend dat het concept van ‘genderidentiteit’ specifiek is ontwikkeld op basis van een lichaam van postmoderne en ‘queer theorie’ in het Westen en internationaal wordt verspreid via krachtige organisaties, inclusief in landen waar de term ‘geslacht/sekse’ niet voorkomt en in lokale talen niet gemakkelijk kan worden begrepen.

Erkennend dat in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind staat dat een kind voor de toepassing van het Verdrag elk mens, jonger dan 18 jaar is; en dat in de Verklaring van de Rechten van het Kind uit 1959 staat dat, “Het kind heeft vanwege zijn lichamelijke en geestelijke onvolwassenheid speciale waarborgen en zorg nodig, inclusief passende wettelijke bescherming. ’’

Erkennend dat het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind (artikel 3) stelt dat bij alle acties betreffende kinderen primair het belang van het kind de overweging is.

Opmerkend dat het concept van ‘genderidentiteit’ in toenemende mate wordt gebruikt om kinderen opnieuw een ‘geslacht/sekse toe te wijzen’ wanneer zij niet voldoen aan stereotypen van de geslachtsrol of die gediagnosticeerd zijn met genderdysforie, en dat medisch interventies met een hoog risico op lange termijn nadelige gevolgen voor de fysieke en psychologische gezondheid van een kind, zoals het gebruik van puberteit onderdrukkende hormonen, geslachtshormonen en chirurgie gebruikt bij kinderen. Kinderen zijn qua ontwikkeling niet competent om volledige, vrijwillige en geïnformeerde toestemming te geven voor dergelijke interventies, die kunnen leiden tot blijvende nadelige gevolgen, waaronder steriliteit.

Erkennend dat het gebruik van drugs die de puberteit onderdrukken, geslachtshormonen en chirurgie op kinderen opkomende schadelijke praktijken zijn, zoals gedefinieerd in deel V van de gemeenschappelijke algemene aanbeveling nr. 31 van het Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen / Algemene opmerking nr.18 van de Commissie rechten van het kind inzake schadelijke praktijken.

Opmerkend dat het gebruik van drugs die de puberteit onderdrukken, geslachtshormonen en chirurgie bij kinderen voldoen aan de vier criteria voor het bepalen van schadelijke praktijken zijnde:

(a) Deze praktijken vormen een ontkenning van de waardigheid en integriteit van het individuele kind en zijn een schending van de mensenrechten en fundamentele vrijheden zoals vastgelegd in de twee verdragen, in die zin dat ze medische ingrepen met zich meebrengen, die een groot risico op langdurige nadelen vormen en gevolgen voor de lichamelijke en psychische gezondheid van kinderen die niet ontwikkelings competent zijn om volledige, vrijwillige en geïnformeerde toestemming te geven aan dergelijke medische interventies.

(b) Deze praktijken leiden tot discriminatie van kinderen en zijn schadelijk voor zover zij resulteren in negatieve gevolgen voor hen als individuen, inclusief fysieke, psychologische, economische of sociale schade en / of geweld en beperkingen op hun vermogen om volledig deel te nemen binnen de maatschappij of ontwikkelen en hun ware potentieel bereiken. Dergelijke negatieve gevolgen kunnen langdurige lichamelijke en psychische gezondheidsproblemen zijn, blijvende nadelige gezondheid gevolgen hebben zoals steriliteit en langdurige afhankelijkheid van farmaceutische producten zoals als synthetische hormonen.

(c) Dit zijn opkomende praktijken die worden voorgeschreven of op zijn plaats worden gehouden door sociale normen die de mannelijke dominantie en ongelijkheid van vrouwen en kinderen in stand houden op basis van gender, geslacht/sekse, leeftijd en andere kruisende factoren, omdat ze voortkomen uit een concept van ‘gender’ identiteit’ die is gebaseerd op stereotypen van sekse-rollen.

(d) Deze praktijken worden opgelegd aan kinderen door familieleden, gemeenschapsleden of de samenleving in het algemeen, ongeacht of het slachtoffer volledig, vrijwillige en geïnformeerde toestemming geeft.

Bezorgd dat sommige niet-bindende internationale documenten beweren dat kinderen aangeboren ‘gender-identiteiten’ hebben die op dezelfde manier nationaal identiteit bescherming vereisen op grond van artikel 8 van het UNCRC, als een kwestie van de mensenrechten van het kind. Deze claim is gebaseerd op de bewering dat kinderen ‘Transgender’ geboren worden, waarvoor geen objectief wetenschappelijk bewijs bestaat.

ARTIKEL 1
Opnieuw bevestigend dat de rechten van vrouwen gebaseerd zijn op de categorie van geslacht/sekse

Staten moeten de centrale plaats van de geslachts categorie handhaven en niet de ‘genderidentiteit’ in relatie tot die van vrouwen en het recht van meisjes om vrij te zijn van discriminatie.

(a) Voor de doeleinden van deze Verklaring betekent de term “discriminatie van vrouwen” “elk onderscheid, uitsluiting of beperking op basis van geslacht/sekse dat het effect of doel heeft de erkenning, de geneugten of het naleven van vrouwen te schaden of teniet te doen, ongeacht hun huwelijkse status, op basis van gelijkheid van mannen en vrouwen, van mensenrechten en fundamentele vrijheden in de politiek en op economisch, sociaal, cultureel, civiel of enig ander veld ”. (CEDAW, artikel 1).

Staten moeten begrijpen dat het opnemen van mannen die beweren een vrouwelijke ‘genderidentiteit’ te hebben in de categorie vrouwen in de wetgeving, het beleid en de praktijk vormt tegen discriminatie van vrouwen en afbreuk doet aan de erkenning van de op geslacht/sekse gebaseerde mensenrechten van vrouwen. Staten moeten                     begrijpen dat de opname van mannen die beweren een vrouwelijke ‘genderidentiteit’ te hebben in de categorie vrouwen, resulteert in hun opname in de categorie lesbisch, wat een vorm van discriminatie van vrouwen vormt door de erkenning van de op geslacht/sekse gebaseerde mensenrechten van lesbiennes te schaden.

(b) Staten zullen op alle gebieden, met name op politiek, sociaal, economisch en cultureel gebied, alle omvattende en passende maatregelen nemen, waaronder wetgeving, om de volledige ontwikkeling en vooruitgang van vrouwen, teneinde hen de uitoefening en het gebruik van mensenrechten en fundamentele vrijheden op basis van gelijkheid met mannen te garanderen. (CEDAW, artikel 3).

Dit omvat het behoud van de wet, het beleid en de praktijk van de categorie vrouw als volwassene menselijke vrouw, de categorie lesbisch betekent een volwassen menselijke vrouw wiens seksuele geaardheid is gericht op andere volwassen vrouwen van gelijke sekse, en de categorie moeder als vrouwelijke ouder; en de uitsluiting van mannen die beweren een vrouwelijke ‘genderidentiteit’ uit deze categorieën te houden.

(a) Staten moeten “discriminatie van vrouwen in al zijn vormen veroordelen, ermee instemmen om met alle middelen en zonder uitstel te streven naar een beleid om discriminatie van vrouwen uit te bannen. (CEDAW, Artikel 2).

Dit moet de uitbanning van die handelingen en de praktijk van discriminatie van vrouwen omvatten, die de opname van mannen die beweren een vrouwelijke ‘genderidentiteit’ te hebben in de categorie van vrouwen, uitsluit. Een dergelijke opname tast het recht van vrouwen op veiligheid, waardigheid en gelijkheid aan.

(b) Staten moeten ervoor zorgen dat de woorden ‘vrouw’, het woord ‘meisje’ en de termen die traditioneel worden gebruikt om lichaamsdelen en lichaamsfuncties van vrouwen op basis van sekse, gebruikt blijven worden in grondwetten, wetgeving, dienstverlening en beleidsdocumenten bij verwijzing aan personen van het vrouwelijk geslacht(sekse). De betekenis van het woord ‘vrouw’ zal niet worden gewijzigd om ook mannen te omvatten.

ARTIKEL 2
Herbevestiging van de aard van het moederschap als exclusief vrouwelijk toestand

(a) Het CEDAW benadrukt de ‘maatschappelijke betekenis van moederschap’ en artikel 12, lid 2, bepaalt dat ‘‘ staten en partijen zorgen voor de juiste diensten voor vrouwen in verband met zwangerschap, bevalling en de postnatale periode ”.

(b) Moederrechten en -diensten zijn gebaseerd op het unieke vermogen van vrouwen om zwanger te worden en te bevallen van kinderen. De fysieke en biologische kenmerken die mannen en vrouwen onderscheiden, betekenen dat het reproductievermogen van vrouwen kan niet worden gedeeld door mannen die een vrouwelijke ‘genderidentiteit’ claimen. Staten moet begrijpen dat het opnemen van mannen die een vrouwelijke ‘genderidentiteit’ claimen in de legale categorie van moeder, in wet, beleid en praktijk, en de overeenkomstige opname van vrouwen die claimen dat een mannelijke ‘genderidentiteit’ in de categorie vader valt, discriminatie van vrouwen vormen door de unieke status van vrouwen en op geslacht/sekse gebaseerde rechten als moeder proberen te elimineren.

(c) Staten moeten ervoor zorgen dat het woord ‘moeder’ en andere woorden die traditioneel worden gebruikt om naar vrouwen te verwijzen voortplantingsvermogen op basis van geslacht/sekse, nog steeds worden gebruikt in constitutionele handelingen, wetgeving, het verlenen van diensten voor moeders en in beleidsdocumenten bij verwijzing naar moeders en moederschap. De betekenis van het woord ‘moeder’ zal niet worden gewijzigd om ook mannen te omvatten.

ARTIKEL 3
Herbevestiging van de rechten van vrouwen en meisjes op fysieke en reproductieve integriteit

(a) Staten moeten ervoor zorgen dat de volledige reproductieve rechten van vrouwen en meisjes en de ongehinderde toegang tot uitgebreide reproductieve diensten worden gehandhaafd.

(b) Staten moeten erkennen dat schadelijke praktijken, zoals gedwongen zwangerschappen en de commerciële of altruïstische exploitatie van de voortplantings capaciteiten van vrouwen die betrokken zijn bij ‘draagmoederschap’, schendingen van de fysieke en reproductieve integriteit van meisjes en vrouwen zijn en moeten worden geëlimineerd als vormen van op geslacht/sekse gebaseerde discriminatie.

(c) Staten moeten erkennen dat medisch onderzoek dat erop is gericht mannen in staat te stellen zwanger te worden en kinderen te krijgen, een schending is van de fysieke en reproductieve integriteit van meisjes en vrouwen, en moet worden geëlimineerd als een vorm van op geslacht/sekse gebaseerde discriminatie.

ARTIKEL 4
Herbevestiging van de rechten van vrouwen op vrijheid van mening en vrijheid van meningsuiting

(a) Staten moeten ervoor zorgen dat vrouwen het recht hebben ‘meningen te houden zonder inmenging’. (ICCPR, Artikel 19, lid 1). Dit zou het recht moeten omvatten om meningen over ‘genderidentiteit’ te behouden zonder te worden onderworpen aan pesterijen, vervolging of straf.

(b) Staten moeten het recht van vrouwen op vrijheid van meningsuiting handhaven, inclusief de “vrijheid om te zoeken, te ontvangen en allerlei informatie en ideeën over te brengen, ongeacht de grenzen, hetzij mondeling, schriftelijk of in druk, in de vorm van kunst, of via andere media ”. (ICCPR, artikel 19, lid 2). Dit moet de vrijheid omvatten om ideeën over ‘genderidentiteit’ te communiceren zonder te worden lastiggevallen, vervolgd of gestraft.

(c) Staten moeten het recht van iedereen handhaven om anderen te beschrijven op basis van hun geslacht/sekse in plaats van hun ‘genderidentiteit’, in alle contexten. Staten moeten erkennen dat pogingen van overheidsinstellingen openbare instanties en particuliere organisaties om individuen te dwingen termen te gebruiken die verband houden met ‘genderidentiteit’ in plaats van sekse een vorm van discriminatie van vrouwen is , en zal maatregelen nemen om dit te elimineren vorm van discriminatie.

(d) Staten moeten elke vorm van sanctie, vervolging of bestraffing van personen die weigeren anderen te identificeren op basis van ‘genderidentiteit’ in plaats van geslacht/sekse of hen daartoe proberen te dwingen, verbieden.

ARTIKEL 5
Herbevestiging het recht van vrouwen op vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging.

Staten moeten de rechten van vrouwen op vreedzame vergadering en vrijheid van vereniging met anderen handhaven. (ICCPR, Artikelen 21 en 22). Dit zou het recht van vrouwen en meisjes moeten omvatten om zich als vrouw of meisje te verzamelen en zich met elkaar te verbinden op basis van hun geslacht/sekse, en de rechten van lesbiennes om te verzamelen en zich met elkaar te verbinden op basis van hun gemeenschappelijke seksuele geaardheid, zonder mannen die claimen vrouwelijke ‘geslacht identiteiten’ te hebben.

ARTIKEL 6
Herbevestiging van de rechten van vrouwen op politieke participatie op het internet basis van geslacht

(a) Staten “nemen alle passende maatregelen om discriminatie van vrouwen in de politiek en het openbare leven van het land uit te bannen. (CEDAW, artikel 7). Dit moet vormen van discriminatie van vrouwen omvatten die bestaan ​​in de opname in de categorie vrouwen van mannen die claimen een vrouwelijke ‘genderidentiteit’ te hebben. Alle genomen maatregelen in het bijzonder om de toegang van vrouwen tot stemrechten, verkiesbaarheid, deelname aan de formulering van overheidsbeleid en de uitvoering ervan, het houden van een openbaar ambt, prestaties van alle publieke functies en deelname aan niet-gouvernementele organisaties en verenigingen betrokken bij het openbare en politieke leven, moet gebaseerd zijn op sekse en vrouwen niet discrimineren door mannen op te nemen die claimen vrouwelijke ‘geslacht identiteiten’ te hebben.

 (b) Staten moeten ervoor zorgen dat de ‘‘Goedkeuring door Staten die Partij zijn van tijdelijke bijzondere maatregelen die worden beoogd versnelling van de feitelijke gelijkheid van mannen en vrouwen (CEDAW artikel 4)’alleen van toepassing is op personen van het vrouwelijk geslacht/sekse en zal vrouwen niet discrimineren door de inclusie van mannen die beweren vrouwelijke ‘geslacht identiteiten’ hebben.

ARTIKEL 7
Herbevestiging van de rechten van vrouwen op dezelfde kansen als mannen om actief deel te nemen aan sport en lichamelijke opvoeding

Artikel 10 (g) van het CEDAW bepaalt dat staten die partij zijn, ‘‘dezelfde kansen om deel te nemen waarborgen actief in sport en lichamelijke opvoeding voor meisjes en vrouwen en voor jongens en mannen. Dit moet de het bieden van kansen voor meisjes en vrouwen om op individuele basis deel te nemen aan sport en lichamelijke opvoeding. Om eerlijkheid en veiligheid voor vrouwen en meisjes te waarborgen, betekent dat de toegang van jongens en mannen die beweren vrouwelijke ‘genderidentiteiten’ te hebben in teams, competities, faciliteiten of kleedkamers, onder andere gereserveerd voor vrouwen en meisjes, moet worden verboden als zijnde vorm van discriminatie op grond van geslacht/sekse.

ARTIKEL 8
Herbevestigend de noodzaak van uitbanning van geweld tegen vrouwen

(a) Staten moeten ‘‘eraan werken om ervoor te zorgen dat, voor zover mogelijk, en in het licht van hun beschikbare middelen en, waar nodig, in het kader van internationale samenwerking waarbij vrouwen en, in voorkomend geval, hun kinderen, zijn onderworpen aan geweld, gespecialiseerde hulp hebben, zoals revalidatie, hulp bij kinderopvang en -onderhoud, behandeling, counseling en gezondheids- en sociale diensten, voorzieningen en programma’s, evenals ondersteunende structuren, en moeten alle andere passende maatregelen nemen om hun veiligheid en fysieke en psychologische revalidatie te bevorderen. ” (UNDEVW, artikel 4 (G)).

Deze maatregelen moeten het aanbieden van diensten voor één geslacht/sekse en fysieke ruimtes voor vrouwen en meisjes omvatten om hen veiligheid, privacy en waardigheid te bieden. Zowel in openbare als privé situaties, moeten dergelijke voorzieningen voor één geslacht/sekse worden toegewezen op basis van geslacht/sekse en niet op basis van ‘geslachtsidentiteit’, en moet worden gerund door vrouwen op basis van hun geslacht/sekse en niet op basis van ‘genderidentiteit’.

(b) De voorziening voor één geslacht/sekse moet onder meer gespecialiseerde diensten omvatten voor vrouwen en meisjes die onderworpen zijn aan geweld, zoals hulp bij verkrachting, gespecialiseerde gezondheidsinstellingen, voorzieningen voor gespecialiseerd politieonderzoek en opvangcentra voor vrouwen en kinderen die op de vlucht zijn voor huiselijk geweld of ander geweld.

Het zou ook alle andere services betreffende voorzieningen voor één geslacht/sekse die de fysieke veiligheid, privacy, en waardigheid van vrouwen en meisjes bevorderen, moeten omvatten. Dit betreft gevangenissen, gezondheidsdiensten en ziekenhuisafdelingen, revalidatiecentra na substantieel misbruik, huisvesting voor daklozen, toiletten, douches en kleedkamers en elke andere besloten ruimte waar personen zich bevinden of zich kunnen uitkleden. Single-sekse faciliteiten die zijn ontworpen om aan de behoeften van vrouwen en meisjes te voldoen, moeten ten minste gelijk zijn in beschikbaarheid en kwaliteit aan die voor mannen en jongens. Deze voorzieningen mogen geen mannen omvatten die beweren vrouwelijke ‘genderidentiteiten’ hebben.

(c) Staten moeten “onderzoek promoten, gegevens verzamelen en statistieken opstellen, met name met betrekking tot binnenlands geweld, met betrekking tot de veel voorkomende verschillende vormen van geweld tegen vrouwen en onderzoek aanmoedigen naar de oorzaken, aard, ernst en gevolgen van geweld tegen vrouwen en meisjes en naar de doeltreffendheid van maatregelen om geweld tegen vrouwen te voorkomen en te herstellen; die statistieken en bevindingen van het onderzoek zullen openbaar worden gemaakt.” (UNDEVW, artikel 4 (k)).

Dit moet erkenning omvatten dat geweld tegen vrouwen een van de cruciale sociale mechanismen is waardoor vrouwen als een geslacht/sekse in een ondergeschikte positie worden gedwongen vergeleken met mannen als een geslacht/sekse, en dat nauwkeurig onderzoek en gegevensverzameling met betrekking tot geweld tegen vrouwen en meisjes dat vereist en de identificatie van zowel de daders als de slachtoffers van dergelijk geweld moet gebaseerd zijn op geslacht/sekse en niet ‘genderidentiteit’.

“Sekse-uitgesplitste gegevens zijn gegevens die naar geslacht/sekse zijn gecategoriseerd, waarbij informatie afzonderlijk wordt gepresenteerd voor mannen en vrouwen, jongens en meisjes. Sekse-uitgesplitste gegevens weerspiegelen rollen, reële situaties, algemene omstandigheden van vrouwen en mannen, meisjes en jongens in elk aspect van de samenleving. … Wanneer gegevens niet zijn uitgesplitst naar geslacht/sekse, is het moeilijker om echte en potentiële ongelijkheden te identificeren. ” (UN Women, Gendergelijkheid Woordenlijst).

(d) Staten moeten in analyses die zijn opgesteld door organisaties en organen van de Verenigde Naties een systeem van sociale trends en problemen opnemen, zoals de periodieke rapporten over de sociale situatie in de wereld, onderzoek naar trends in geweld tegen vrouwen. ” (UNDEVW artikel 5 (d)). Dit vereist van staten ervoor te zorgen dat de identiteit van daders en slachtoffers van geweld tegen vrouwen en meisjes opgenomen wordt op basis van geslacht/sekse en niet op basis van ‘genderidentiteit’, door alle openbare instanties, inclusief de politie, staat officieren van justitie en de rechtbanken.

(e) Staten moeten “strafrechtelijke, civiele, arbeids- en administratieve sancties ontwikkelen in nationale wetgeving tot straffen en herstellen van de onrechtmatigheden die worden veroorzaakt aan vrouwen die het slachtoffer zijn van geweld; vrouwen die zijn onderworpen aan geweld moeten toegang krijgen tot de mechanismen van justitie en, zoals voorzien door nationale wetgeving, tot rechtvaardige en effectieve rechtsmiddelen voor de schade die zij hebben geleden. Staten moeten vrouwen ook informeren over hun rechten om verhaal te zoeken via dergelijke mechanismen. ’’ (UNDEVW, Artikel 4, onder d).

Dit zou de erkenning moeten omvatten van het recht van vrouwen en meisjes om nauwkeurig het geslacht/sekse te beschrijven van degenen die geweld tegen hen hebben gepleegd. Publieke instanties zoals de politie, staatsofficieren van justitie, en de rechtbanken mogen slachtoffers van geweld niet verplichten om hun aanvallers op basis van hun ‘genderidentiteit’ in plaats van hun geslacht/sekse te beschrijven.

ARTIKEL 9
Herbevestiging van de noodzaak van bescherming van de rechten van het kind

(a) “Bij alle acties betreffende kinderen, ongeacht of deze worden ondernomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn, rechtbanken, administratieve autoriteiten of wetgevende instanties, is het belang van het kind de primaire overweging.” (artikel 3, lid 1, UNCRC). Staten moeten erkennen dat medische interventies gericht op de ‘geslachtsverandering’ van kinderen door het gebruik van puberteit onderdrukkende medicijnen, cross-seks hormonen en chirurgie niet het beste belang van kinderen dienen. Kinderen zijn qua ontwikkeling niet in staat om volledige, vrijwillige en geïnformeerde toestemming te geven voor dergelijke medische interventies, die een zeer hoog risico met zich meebrengen van langdurige nadelige gevolgen voor de fysieke en psychische gezondheid van het kind, en kunnen leiden tot blijvende nadelige gevolgen, zoals steriliteit. Staten moeten het gebruik van dergelijke medische interventies bij kinderen verbieden.

(b) Staten moeten erkennen dat medische interventies gericht op de ‘geslachtsverandering’ van kinderen door het gebruik van medicijnen en chirurgie opkomende schadelijke praktijken zijn, zoals gedefinieerd in deel V van de gezamenlijke generale Aanbeveling nr. 31 van de Commissie voor de uitbanning van discriminatie tegen Vrouwen en de Algemene opmerking nr. 18 van de Commissie voor de rechten van het kind op schadelijke praktijken.

(c) Staten moeten processen voor gegevensverzameling en monitoring opzetten met betrekking tot deze praktijken en wetgeving vaststellen en uitvoeren die erop gericht is deze te elimineren. De bepalingen van staten moeten wettelijke bepalingen omvatten en passende zorg en bescherming bieden en voor kinderen die door dergelijke praktijken zijn geschaad de beschikbaarheid van verhaal en reparaties .

(d) Staten moeten het “recht van het kind op het genieten van de hoogst haalbare norm van gezondheid en voorzieningen voor de behandeling van ziekte en revalidatie van de gezondheid erkennen.” (UNCRC, artikel 24). Dit moet bescherming omvatten van het gezonde lichaam van het kind tegen het gebruik van medicijnen en van een operatieve ‘geslachtsverandering’.

(e) Staten moeten “ervoor zorgen dat de instellingen, diensten en faciliteiten die verantwoordelijk zijn voor de zorg of bescherming van kinderen voldoen aan de normen die zijn vastgesteld door de bevoegde autoriteiten, met name in de gebieden van veiligheid en gezondheid.” (UNCRC, artikel 3). Dit moet inhouden dat organisaties die het concept van ‘genderidentiteit’ promoten of dat instituten die geen klinische expertise mbt kind psychologische achtergrond hebben, weerhouden worden van het beïnvloeden van gezondheidsdiensten voor kinderen

 (f) Staten moeten ‘’de verantwoordelijkheden, rechten en plichten van ouders respecteren of, indien van toepassing, van wettelijke voogden of andere personen die wettelijk verantwoordelijk zijn voor het kind, voorzien op een wijze die verenigbaar is met de evoluerende capaciteiten van het kind, met gepaste richting en begeleiding bij de oefening van het kind mbt de rechten welke in dit Verdrag zijn erkend.” (UNCRC, artikel 5).

Staten moeten overheidsinstellingen, openbare en particuliere instanties, artsen en andere kinder welzijnsprofessionals verbieden gebruik te maken van actie die tot doel heeft ouders te dwingen in te stemmen met medische of andere beoogde interventies die het veranderen van de ‘genderidentiteiten’ van hun kinderen als doel hebben.

(g) Staten moeten het recht van het kind op onderwijs erkennen, met het oog op het bereiken van dit recht en wel progressief en op basis van gelijke kansen.” (UNCRC, artikel 28). Dit moet het recht van het kind tot de ontwikkeling van schoolcurricula bevatten die materieel accuraat zijn over de menselijke biologie en reproductie, en informatie over de mensenrechten van mensen van verschillende seksuele geaardheid bevatten, rekening houdend met het evoluerend vermogen en de psychologische ontwikkelingsstadia van het kind .

(h) Staten moeten zorgen voor opname van nauwkeurig materiaal over menselijke biologie en reproductie in de lerarenopleiding en deze programma’s voortdurend professionele ontwikkelen van, en informatie opnemen over de mensenrechten van mensen van verschillende seksuele geaardheden, en aandacht besteden aan het uitdagen van sekse stereotypen en bestrijden van homofobie.

(i) Staten erkennen dat de opvoeding van het kind gericht moet zijn op de voorbereiding van het kind op verantwoordelijk leven in een vrije samenleving, in de geest van begrip, vrede, tolerantie en gelijkheid van geslachten.” (UNCRC, artikel 29).

 (j) Dit moet maatregelen omvatten om ervoor te zorgen dat organisaties geen staatsfinanciering krijgen om te geslachtsstereotypen en het concept van ‘genderidentiteit’ in onderwijsinstellingen te promoten, aangezien dit discriminatie van vrouwen en meisjes bevordert.

(k) Staten ‘’ zullen het kind beschermen tegen alle vormen van uitbuiting die schadelijk zijn voor alle aspecten van het kind-welzijn. ’’ (UNCRC, artikel 36). Dit omvat doeltreffende en passende wettelijke maatregelen, met het oog op de afschaffing van traditionele en opkomende praktijken omtrent stereotypen van sekse-rollen bij meisjes en jongens; kinderen te diagnosticeren en te behandelen als ‘in het verkeerde lichaam geboren’ terwijl ze dat niet zijn; conformeren aan traditionele stereotypen van de geslachtsrol; het identificeren van jonge mensen die tot hetzelfde geslacht/sekse aangetrokken zijn als die lijdende aan genderdysforie; en het gebruik van medische interventies bij kinderen die kunnen leiden tot hun sterilisatie of andere blijvende schade.

noot:
A. in deze verklaring is bij de term ‘vrouw’ uitgegaan van de ‘geboren vrouw’, dus van de vrouwelijke sekse/het vrouwelijk geslacht.

B. commodificatie: alles wordt ontmenselijkt en voorgesteld als koopwaar – dus ook menselijke verhoudingen, grote begrippen en emoties. Het gevolg is dat alle relaties gedefinieerd kunnen worden in termen van vraag en aanbod.

Declaration on Women’s Sex-based Rights

On the re-affirmation of women’s sex-based rights, including women’s rights to physical and reproductive integrity, and the elimination of all forms of discrimination against women and girls that result from the replacement of the category of sex with that of ‘gender identity’, and from ‘surrogate’ motherhood and related practices.

Introduction

This Declaration reaffirms the sex-based rights of women which are set out in the Convention on the Elimination of all Forms of Discrimination against Women adopted by the United Nations General Assembly on 18 December 1979 (CEDAW), further developed in the CEDAW Committee General Recommendations, and adopted, inter alia, in the United Nations Declaration on the Elimination of Violence against Women 1993 (UNDEVW).

Article 1 of the CEDAW defines discrimination against women to mean, “any distinction, exclusion or restriction made on the basis of sex which has the effect or purpose of impairing or nullifying the recognition, enjoyment or exercise by women, irrespective of their marital status, on a basis of equality of men and women, of human rights and fundamental freedoms in the political, economic, social, cultural, civil or any other field.’’

Sex is defined by the United Nations as “the physical and biological characteristics that distinguish males from females.’’ (Gender Equality Glossary, UN Women)

The CEDAW places obligations on States Parties to ‘‘take all appropriate measures, including legislation, to modify or abolish existing laws, regulations customs and practices which constitute discrimination against women.’’ (Article 2 (f)); and to take, in all fields, “appropriate measures, including legislation, to ensure the full development and advancement of women, for the purpose of guaranteeing them the exercise and enjoyment of human rights and fundamental freedoms on a basis of equality with men.’’ (Article 3).

It has long been understood in the area of human rights that the stereotyped sex roles of men and women are a fundamental aspect of women’s inequality and must be eliminated.

Article 5 of the CEDAW states,

“States Parties shall take all appropriate measures:

1.

To modify the social and cultural patterns of conduct of men and women, with a view to achieving the elimination of prejudices and customary and all other practices which are based on the idea of the inferiority or the superiority of either of the sexes or on stereotyped roles for men and women.’’​

2.

Gender refers to “the roles, behaviors, activities, and attributes that a given society at a given time considers appropriate for men and women… These attributes, opportunities and relationships are socially constructed and are learned through socialization processes.’’ (Gender Equality Glossary, UN Women).

Recent changes replacing references to the category of sex, which is biological, with the language of ’gender’, which refers to stereotyped sex roles, in United Nations documents, strategies, and actions, has led to confusion which ultimately risks undermining the protection of women’s human rights.

The confusion between sex and ‘gender’ has contributed to the increasing acceptability of the idea of innate ‘gender identities’, and has led to the promotion of a right to the protection of such ‘identities’, ultimately leading to the erosion of the gains made by women over decades. Women’s rights, which have been achieved on the basis of sex, are now being undermined by the incorporation into international documents of concepts such as ’gender identity’ and ‘Sexual Orientations and Gender Identities (SOGIES)’.

Sexual orientation rights are necessary in eliminating discrimination against those who are sexually attracted to persons of the same sex. Rights relating to sexual orientation are compatible with women’s sex-based rights, and are necessary to enable lesbians, whose sexual orientation is towards other women, to fully exercise their sex-based rights.

However, the concept of ‘gender identity’ makes socially constructed stereotypes, which organize and maintain women’s inequality, into essential and innate conditions, thereby undermining women’s sex-based rights.

For example, the Yogyakarta Principles state that,

“Gender identity is understood to refer to each person’s deeply felt internal and individual experience of gender, which may or may not correspond with the sex assigned at birth, including the personal sense of the body (which may involve if freely chosen, modification of bodily appearance or function by medical, surgical or other means) and other expressions of gender, including dress, speech and mannerisms.’’ (Yogyakarta Principles: Principles on the application of internationals human rights law in relation to sexual orientation and gender identity, March 2007).

The right of individuals to dress and present themselves as they choose is compatible with women’s sex-based rights.

However, the concept of ‘gender identity’ has enabled men who claim a female ‘gender identity’ to assert, in law, policies, and practice, that they are members of the category of women, which is a category based upon sex.

The CEDAW General Recommendation No. 35 notes that, “General recommendation No. 28 on the core obligations of States parties under article 2 of the Convention as well as general recommendation No. 33 on women’s access to justice confirms that discrimination against women is inextricably linked to other factors that affect their lives. The Committee’s jurisprudence highlights that these may include…being lesbian.” (II, 12).

The concept of ‘gender identity’ is used to challenge individuals’ rights to define their sexual orientation on the basis of sex rather than ‘gender identity’, enabling men who claim a female ‘gender identity’ to seek to be included in the category of lesbian, which is a category based upon sex. This undermines the sex-based rights of lesbians, and is a form of discrimination against women.

Some men who claim a female ‘gender identity’ seek to be included in the legal category of mother. The CEDAW emphasises maternal rights and the “social significance of maternity’’. Maternal rights and services are based on women’s unique capacity to gestate and give birth to children. The inclusion of men who claim a female ‘gender identity’ within the legal category of mother erodes the social significance of maternity, and undermines the maternal rights for which the CEDAW provides.

The Beijing Declaration and Platform for Action (1995) states that,

“The explicit recognition and reaffirmation of the right of all women to control all aspects of their health, in particular their own fertility, is basic to their empowerment’’. (Annex 1, 17)

This right is undermined by the use of ‘surrogate’ motherhood, which exploits and commodifies women’s reproductive capacity. The exploitation and commodification of women’s reproductive capacity also underpins medical research which is aimed at enabling men to gestate and give birth to children. The inclusion of men who claim a female ‘gender identity’ within the legal categories of woman, of lesbian, and of mother threatens to remove all meaning from these categories, as it constitutes a denial of the biological realities on which the status of being a woman, being a lesbian, and being a mother are based.

Organizations that promote the concept of ‘gender identity’ challenge the right of women and girls to define themselves on the basis of sex, and to assemble and organize on the basis of their common interests as a sex. This includes challenging the rights of lesbians to define their sexual orientation on the basis of sex rather than ‘gender identity’, and to assemble and organize on the basis of their common sexual orientation.

In many countries state agencies, public bodies and private organizations are attempting to compel persons to identify and refer to individuals on the basis of ‘gender identity’ rather than sex. These developments constitute forms of discrimination against women, and undermine women’s rights to freedom of expression, freedom of belief, and freedom of assembly.

Men who claim a female ’gender identity’ are being enabled to access opportunities and protections set aside for women. This constitutes a form of discrimination against women, and endangers women’s fundamental rights to safety, dignity and equality.

Article 7 of the CEDAW affirms the importance of measures to eliminate discrimination against women in political and public life, and Article 4 affirms the importance of temporary special measures to accelerate de facto equality between men and women. When men claiming female ‘gender identities’ are admitted to women’s participation quotas and other special measures designed to increase women’s participation in political and public life, the purpose of such special measures in achieving equality for women is undermined.

Article 10 (g) of the CEDAW calls on States Parties to ensure that women have the same opportunities as men to participate actively in sports and physical education. Due to the physiological differences between women and men, the exercise of this right by women requires that certain sporting activities are single-sex. When men claiming female ‘gender identities’ are enabled to participate in women’s single-sex sporting activities, women are placed at an unfair competitive disadvantage, and may be placed at increased risk of physical injury. This undermines women’s and girls’ ability to have the same opportunities as men to participate in sports, and therefore constitutes a form of discrimination against women and girls, which should be eliminated.

It has long been understood in the area of human rights that violence against women and girls is universally endemic, and is one of the crucial social mechanism by which women are forced into a subordinate position compared with men.

The United Nations Declaration on the Elimination of Violence Against Women recognizes that,

“Violence against women is a manifestation of historically unequal power relations between men and women, which have led to domination over and discrimination against women by men and to the prevention of the full advancement of women, and that violence against women is one of the crucial social mechanisms by which women are forced into a subordinate position compared with men.’’

This domination and discrimination is based on sex and not on ‘gender identity’.

The conflation of the category of sex with the category of ‘gender identity’ hinders the protection of women and girls from violence perpetrated against them by men and boys. It increasingly enables men who consider that they have a female ‘gender identity’ to claim access to female single sex victim support services and spaces, as both service users and as service providers. This includes specialist single-sex provisions for women and girls who have been subject to violence, such as shelters and health care facilities. It also includes other services in which single-sex provision is crucial to the promotion of the physical safety, health, privacy, and dignity of women and girls. The presence of men in female single-sex spaces and services undermines the role of these services in protecting women and girls, and could make women and girls vulnerable to violent men who may claim a female ‘gender identity’.

The CEDAW Committee in its General Recommendation 35 underlines the importance of collecting data and compiling statistics relating to the prevalence of different forms of violence against women in relation to developing effective measures to prevent and redress such violence.

“Sex-disaggregated data is data that is cross-classified by sex, presenting information separately for men and women, boys and girls. Sex-disaggregated data reflect roles, real situations, general conditions of women and men, girls and boys in every aspect of society. … When data is not disaggregated by sex, it is more difficult to identify real and potential inequalities.’’ (UN Women, Gender Equality Glossary).

The conflation of sex with ‘gender identity’ leads to the collection of data on violence against women and girls which is inaccurate and misleading because it identifies perpetrators of violence on the basis of their ‘gender identity’ rather than their sex. This creates a significant impediment to the development of effective laws, policies, strategies and actions aimed at the elimination of violence against women and girls.

The concept of ‘gender identity’ is increasingly used to ‘gender reassign’ children who do not conform to sex stereotypes, or who are diagnosed with gender dysphoria. Medical interventions that carry a high risk of long-term adverse consequences on the physical or psychological health of a child, such as the use of puberty suppressing hormones, cross-sex hormones, and surgery, are used on children who are not developmentally competent to give full, free and informed consent. Such medical interventions can cause a range of permanent adverse physical health effects, including sterility, as well as negative effects on psychological health.

Preamble

Recalling the commitment to the equal rights and inherent human dignity of women and men and other purposes and principles enshrined in the Charter of the United Nations, the Universal Declaration of Human Rights and other international human rights instruments, in particular the United Nations Convention on the Elimination of All Forms of Discrimination against Women (CEDAW), and the United Nations Convention on the Rights of the Child (UNCRC), as well as the United Nations Declaration on the Elimination of Violence against Women, the United Nations Declaration on the Right to Development, the United Nations Declaration on the Rights of Indigenous Peoples, the Council of Europe Convention on preventing and combatting violence against women and domestic violence (“Istanbul Convention’’), the Protocol to the African Charter on Human and People’s Rights on the Rights of Women in Africa (“Maputo Protocol’’), and the Inter-American Convention on the Prevention, Punishment and Eradication of Violence Against Women (“Belem do Para Convention’’).

Re-affirming a commitment to ensuring the full implementation of the human rights of women and of girls as an inalienable, integral and indivisible part of all human rights and fundamental freedoms.

Acknowledging the consensus and progress made at previous United Nations world conferences and summits, including the International Women’s Year in Mexico City in 1975, the United Nations Decade for Women in Copenhagen in 1980, the United Nations Decade for Women in Nairobi in 1985, the World Summit on Children in New York in 1990, the Earth Summit on Environment and Development in Rio de Janeiro in 1992, the World Conference on Human Rights in Vienna in 1993, the International Conference on Population and Development in Cairo in 1994, the World Summit on Social Development in Copenhagen in 1995, and the World Conference on Women in Beijing in 1995, with the objective of achieving equality, development and peace.

Recognising that in the first decades of the United Nations human rights approach there was a clear understanding that discrimination against women was based upon sex.

Noting that United Nations human rights agreements, policies, strategies, actions and documents recognize that sex role stereotypes, now more commonly called ‘gender stereotypes’, are harmful to women and girls.

Recognising that the clear concept of sex role stereotyping has now been confused through the use of the language of gender.

Concerned that the concept of ‘gender identity’, has been incorporated into many influential, but non-binding, international human rights documents.

Noting that use of the language of ‘gender’ rather than sex, has enabled the development of a concept of ‘gender identity’ in which sex stereotypes are seen as innate and essential, which in turn has formed the basis of an erosion of the gains in women’s and girls’ human rights.

Concerned that men who claim a female ‘gender identity’ assert in law, policies and practice that they are members of the category of women, and that this results in the erosion of the human rights of women.

Concerned that men who claim a female ’gender identity’ assert in law, policies and practice that sexual orientation is based upon ‘gender identity’ rather than sex, and seek to be included in the category of lesbian; and that this results in the erosion of the sex-based human rights of lesbians.

Concerned that some men who claim a female ‘gender identity’ make claims to be included in the legal category of mother in law, policies and practice, and that such inclusion erodes the social significance of maternity, and undermines maternal rights.

Concerned at the exploitation and commodification of women’s reproductive capacity which underpins ‘surrogate’ motherhood.

Concerned at the exploitation and commodification of women’s reproductive capacity which underpins medical research aimed at enabling men to gestate and give birth to children.

Concerned that organizations that promote the concept of ‘gender identity’ attempt to limit the right to hold and express opinions about ‘gender identity’ by promoting attempts by state agencies, public bodies and private organizations to use sanctions and punishment to compel persons to identify individuals on the basis of ‘gender identity’ rather than sex.

Concerned that the concept of ‘gender identity’ is used to undermine the right of women and girls to assemble and associate as women and girls based upon their sex, and without including men who claim to have female ‘gender identities’.

Concerned that the concept of ‘gender identity’ is used to undermine the right of lesbians to define their sexual orientation on the basis of sex, and to assemble and associate on the basis of their common sexual orientation, and without including men who claim to have female ‘gender identities’.

Concerned that the inclusion of men and boys who claim to have a female ‘gender identity’ into competitions and prizes set aside for women and girls, including competitive sports and scholarships, constitutes discrimination against women and girls.

Concerned that the conflation of sex and ‘gender identity’ is leading to the recording of inaccurate and misleading data used when planning for laws, policies and actions relating to employment, equal pay, political participation, and distribution of state funds, inter alia, thereby hindering effective measures aimed at eliminating all forms of discrimination against women and girls, and at promoting the advancement of women and girls in society.

Concerned that policies based on the concept of ‘gender identity’ are being used by state agencies, public bodies and private organizations in ways which threaten the survival of women only service provisions, including victim support and health care services.

Concerned that the concept of ‘gender identity’ is used to justify the intrusion of men and boys into single-sex spaces aimed at protecting the safety, privacy and dignity of women and girls, and at supporting women and girls who have been subject to violence.

Concerned that the conflation of sex and ‘gender identity’ is leading to the recording of inaccurate and misleading data about violence against women and girls, thereby hindering the development of effective measures aimed at eliminating such violence.

Concerned that the concept of ‘gender identity’ is used to obscure the sex of perpetrators of sex-specific crimes, such as rape and other sexual offences, thereby hindering effective measures aimed at reducing such crimes.

Concerned that the erasure of sex-specific actions, strategies and policies for women and girls will undermine decades of United Nations work to recognize the importance of women only services in disaster zones, refugee camps, and prisons, and in any context where the use of mixed-sex facilities would be a threat to the safety, dignity and protection of women and girls, and particularly vulnerable women and girls.

Emphasising that the concept of ‘gender identity’ was developed specifically out of a body of postmodern and ‘queer theory’ in the West and is being disseminated through powerful organizations internationally, including in countries where the term ‘gender’ does not exist in local languages and cannot easily be understood.

Recognising that the United Nations Convention on the Rights of the Child states that, for the purposes of the Convention, a child is every human being below the age of 18 years; and that the Declaration of the Rights of the Child 1959 states that,

“the child, by reason of his physical and mental immaturity, needs special safeguards and care, including appropriate legal protection.’’

Recognising that the United Nations Convention on the Rights of the Child (Article 3) states that, in all actions concerning children, the best interests of the child shall be a primary consideration.

Noting that the concept of ‘gender identity’ is increasingly used to ‘gender reassign’ children who do not conform to sex role stereotypes or who are diagnosed with gender dysphoria, and that medical interventions that carry a high risk of long-term adverse consequences on the physical and psychological health of a child, such as the use of puberty suppressing hormones, cross-sex hormones, and surgery are used on children. Children are not developmentally competent to give full, free and informed consent to such interventions, which may lead to permanent adverse consequences, including sterility.

Recognising that the use of puberty supressing drugs, cross-sex hormones, and surgery on children are emerging harmful practices as defined by Part V of the Joint General Recommendation No. 31 of the Committee on the Elimination of Discrimination against Women/General Comment No. 18 of the Committee on the Rights of the Child on harmful practices.

Noting that the use of puberty supressing drugs, cross-sex hormones, and surgery on children meet the four criteria for determining harmful practices in that:

(a) These practices constitute a denial of the dignity and integrity of the individual child and a violation of the human rights and fundamental freedoms enshrined in the two Conventions, in that they involve medical interventions that carry a high risk of long-term adverse consequences on the physical and psychological health of children who are not developmentally competent to give full, free and informed consent to such medical interventions.

(b) These practices constitute discrimination against children and are harmful in so far is they result in negative consequences for them as individuals, including physical, psychological, economic or social harm and/or violence and limitations on their capacity to participate fully in society or develop and reach their true potential. Such negative consequences may include long-term physical and psychological health problems, permanent adverse health consequences such as sterility, and long-term dependence on pharmaceutical products such as synthetic hormones.

(c) These are emerging practices that are prescribed or kept in place by social norms that perpetuate male dominance and inequality of women and children, on the basis of sex, gender, age and other intersecting factors, in that they arise from a concept of ‘gender identity’ which is based upon sex role stereotypes.

(d) These practices are imposed on children by family members, community members or society at large, regardless of whether the victim provides, or is able to provide, full, free and informed consent.

Concerned that some non-binding international documents claim that children have innate ‘gender identities’ which require protection under Article 8 of the UNCRC in the same way as national identity, as a matter of the child’s human rights. This claim is based on the assertion that children are born ‘transgender’, for which there is no objective scientific evidence.

Article 1

Reaffirming that the rights of women are based upon the category of sex

States should maintain the centrality of the category of sex, and not ‘gender identity’, in relation to women’s and girls’ right to be free from discrimination.

(a) For the purposes of this Declaration, the term “discrimination against women’’ shall mean “any distinction, exclusion or restriction made on the basis of sex which has the effect or purpose of impairing or nullifying the recognition, enjoyment or exercise by women, irrespective of their marital status, on a basis of equality of men and women, of human rights and fundamental freedoms in the political, economic, social, cultural, civil or any other field’’. (CEDAW, Article 1).

States should understand that the inclusion of men who claim to have a female ‘gender identity’ into the category of women in law, policies and practice constitutes discrimination against women by impairing the recognition of women’s sex-based human rights. States should understand that the inclusion of men who claim to have a female ‘gender identity’ in the category of women results in their inclusion in the category of lesbian, which constitutes a form of discrimination against women by impairing the recognition of the sex-based human rights of lesbians.

(b) States ‘‘shall take in all fields, in particular in the political, social, economic and cultural fields, all appropriate measures, including legislation, to ensure the full development and advancement of women, for the purpose of guaranteeing them the exercise and enjoyment of human rights and fundamental freedoms on a basis of equality with men’’. (CEDAW, Article 3).

This should include the retention in law, policies and practice of the category of woman to mean adult human female, the category of lesbian to mean an adult human female whose sexual orientation is towards other adult human females, and the category of mother to mean a female parent; and the exclusion of men who claim to have a female ‘gender identity’ from these categories.

(a) States should “condemn discrimination against women in all its forms, agree to pursue by all appropriate means and without delay a policy of eliminating discrimination against women’’. (CEDAW, Article 2).

This should include the elimination of that act and practice of discrimination against women which comprises the inclusion of men who claim to have a female ‘gender identity’ in the category of women. Such inclusion erodes women’s rights to safety, dignity and equality.

(d) States should ensure that the words ‘woman’, the word ‘girl’, and the terms traditionally used to refer to women’s body parts and bodily functions on the basis of sex continue to be those used in constitutional acts, legislation, in the provision of services, and in policy documents when referring to persons of the female sex. The meaning of the word ‘woman’ shall not be changed to include men.

Article 2

Reaffirming the nature of motherhood as an exclusively female status

(a) The CEDAW emphasises the “social significance of maternity’’, and Article 12 (2) states that ‘‘States Parties shall ensure to women the appropriate services in connection with pregnancy, confinement and the post-natal period’’.

(b) Maternal rights and services are based on women’s unique capacity to gestate and give birth to children. The physical and biological characteristics that distinguish males and females mean that women’s reproductive capacity cannot be shared by men who claim a female ‘gender identity’. States should understand that the inclusion of men who claim a female ‘gender identity’ into the legal category of mother in law, policies and practice, and the corresponding inclusion of women who claim a male ‘gender identity’ into the category of father, constitute discrimination against women by seeking to eliminate women’s unique status and sex-based rights as mothers.

(c) States should ensure that the word ‘mother’, and other words traditionally used to refer to women’s reproductive capacities on the basis of sex, continue to be used in constitutional acts, legislation, in the provision of maternal services, and in policy documents when referring to mothers and motherhood. The meaning of the word ‘mother’ shall not be changed to include men.

Article 3

Reaffirming the rights of women and girls to physical and reproductive integrity

(a) States should ensure that the full reproductive rights of women and girls, and unhindered access to comprehensive reproductive services, are upheld.

(b) States should recognize that harmful practices such as forced pregnancies, and the commercial or altruistic exploitation of women’s reproductive capacities involved in ‘surrogate’ motherhood, are violations of the physical and reproductive integrity of girls and women, and are to be eliminated as forms of sex-based discrimination.

(c) States should recognize that medical research which is aimed at enabling men to gestate and give birth to children is a violation of the physical and reproductive integrity of girls and women, and is to be eliminated as a form of sex-based discrimination.

Article 4

Reaffirming women’s rights to freedom of opinion and freedom of expression

(a) States should ensure that women have the right to “hold opinions without interference’’. (ICCPR, Article 19 (1)). This should include the right to hold and express opinions about ‘gender identity’ without being subject to harassment, prosecution or punishment.

(b) States should uphold women’s right to freedom of expression, including the “freedom to seek, receive and impart information and ideas of all kinds, regardless of frontiers, either orally, in writing or in print, in the form of art, or through any other media’’. (ICCPR, Article 19 (2)). This should include the freedom to communicate ideas about ‘gender identity’ without being subject to harassment, prosecution or punishment.

(c) States should uphold the right of everyone to describe others on the basis of their sex rather than their ‘gender identity’, in all contexts. States should recognize that attempts by state agencies, public bodies and private organizations to compel individuals to use terms related to ‘gender identity’ rather than sex are a form of discrimination against women, and shall take measures to eliminate this form of discrimination.

(d) States should prohibit any form of sanctioning, prosecution or punishment of persons who reject attempts to compel them to identify others on the basis of ‘gender identity’ rather than sex.

Article 5

Reaffirming women’s right to freedom of peaceful assembly and association

States should uphold women’s rights to peaceful assembly and freedom of association with others. (ICCPR, Articles 21 and 22). This should include the right of women and girls to assemble and associate as women or girls based upon their sex, and the rights of lesbians to assemble and associate on the basis of their common sexual orientation, without including men who claim to have female ‘gender identities’.

Article 6

Reaffirming women’s rights to political participation on the basis of sex

(a) States “shall take all appropriate measures to eliminate discrimination against women in the political and public life of the country’’. (CEDAW, Article 7).

This should include forms of discrimination against women which consist of the inclusion in the category of women of men who claim to have a female ‘gender identity’. All measures taken specifically to improve women’s access to voting rights, eligibility for election, participation in the formulation of government policy and its implementation, the holding of public office, performance of all public functions, and participation in non-governmental organizations and associations concerned with public and political life, should be based upon sex and not discriminate against women by the inclusion of men who claim to have female ‘gender identities’.

(b) States should ensure that the ‘‘Adoption by States Parties of temporary special measures aimed at accelerating de facto equality between men and women’’ (CEDAW Article 4) shall apply only to persons of the female sex and shall not discriminate against women through the inclusion of men who claim to have female ‘gender identities’.

Article 7

Reaffirming women’s rights to the same opportunities as men to participate actively in sports and physical education

Article 10 (g) of the CEDAW provides that States Parties shall ensure ‘‘[t]he same Opportunities to participate actively in sports and physical education’’ for girls and women as for boys and men. This should include the provision of opportunities for girls and women to participate in sports and physical education on a single-sex basis. To ensure fairness and safety for women and girls, the entry of boys and men who claim to have female ‘gender identities’ into teams, competitions, facilities, or changing rooms, inter alia, set aside for women and girls should be prohibited as a form of sex discrimination.

Article 8

Reaffirming the need for the elimination of violence against women

(a) States should ‘‘[w]ork to ensure, to the maximum extent feasible in the light of their available resources and, where needed, within the framework of international cooperation, that women subjected to violence and, where appropriate, their children have specialized assistance, such as rehabilitation, assistance in child care and maintenance, treatment, counselling, and health and social services, facilities and programmes, as well as support structures, and should take all other appropriate measures to promote their safety and physical and psychological rehabilitation.’’ (UNDEVW, Article 4 (g)).

These measures should include the provision of single-sex services and physical spaces for women and girls to provide them with safety, privacy, and dignity. Whether provided by public or private entities, such single sex provisions should be allocated on the basis of sex and not ‘gender identity’, and should be staffed by women on the basis of their sex and not ‘gender identity’.

(b) Single sex provision should include, inter alia, specialized services for women and girls subject to violence, such as rape support services, specialist health facilities, specialist police investigation facilities, and shelters for women and children fleeing domestic abuse or other violence. It should also include all other services within which single sex provisions promote the physical safety, privacy, and dignity of women and girls. These include prisons, health services and hospital wards, substance misuse rehabilitation centres, accommodation for the homeless, toilets, showers and changing rooms, and any other enclosed space where individuals reside or may be in a state of undress. Single sex facilities designed to meet the needs of women and girls should be at least equal in availability and quality to those provided to men and boys. These facilities should not include men who claim to have female ‘gender identities’.

(c) States should “[p]romote research, collect data and compile statistics, especially concerning domestic violence, relating to the prevalence of different forms of violence against women and encourage research on the causes, nature, seriousness and consequences of violence against women and on the effectiveness of measures implemented to prevent and redress violence against women; those statistics and findings of the research will be made public.’’ (UNDEVW, Article 4 (k)).

This should include recognition that violence against women is one of the crucial social mechanisms by which women as a sex are forced into a subordinate position compared with men as a sex, and that accurate research and data collection relating to violence against women and girls requires that the identification of both the perpetrators and victims of such violence must be based on sex and not ‘gender identity’.

“Sex-disaggregated data is data that is cross-classified by sex, presenting information separately for men and women, boys and girls. Sex-disaggregated data reflect roles, real situations, general conditions of women and men, girls and boys in every aspect of society. … When data is not disaggregated by sex, it is more difficult to identify real and potential inequalities.’’ (UN Women, Gender Equality Glossary).

(d) States should ‘‘[i]nclude in analyses prepared by organizations and bodies of the United Nations system of social trends and problems, such as the periodic reports on the world social situation, examination of trends in violence against women.’’ (UNDEVW Article 5 (d)). This should require states to ensure that the identities of perpetrators and victims of violence against women and girls are recorded on the basis of sex and not ‘gender identity’ by all public bodies, including the police, state prosecutors, and the courts.

(e) States should “[d]evelop penal, civil, labour and administrative sanctions in domestic legislation to punish and redress the wrongs caused to women who are subjected to violence; women who are subjected to violence should be provided with access to the mechanisms of justice and, as provided for by national legislation, to just and effective remedies for the harm that they have suffered; States should also inform women of their rights in seeking redress through such mechanisms.’’ (UNDEVW, Article 4 (d)).

This should include the recognition of the right of women and girls to accurately describe the sex of those who have perpetrated violence against them. Public bodies such as the police, state prosecutors, and the courts should not impose an obligation on victims of violence to describe their assailants according to their ‘gender identity’ rather than their sex.

Article 9

Reaffirming the need for the protection of the rights of the child

(a) “In all actions concerning children, whether undertaken by public or private social welfare institutions, courts of law, administrative authorities or legislative bodies, the best interests of the child shall be a primary consideration.’’ (Article 3 (1) UNCRC). States should recognize that medical interventions aimed at the ‘gender reassignment’ of children by the use as puberty supressing drugs, cross-sex hormones and surgery do not serve the best interests of children. Children are not developmentally competent to give full, free and informed consent to such medical interventions, which carry a high risk of long-term adverse consequences to the physical and psychological health of the child, and which may result in permanent adverse consequences, such as sterility. States should prohibit the use of such medical interventions upon children.

(b) States should recognize that medical interventions aimed at the ‘gender reassignment’ of children by the use of drugs and surgery are emerging harmful practices as defined by Part V of the Joint General Recommendation No.31 of the Committee on the Elimination of Discrimination against Women/General Comment No. 18 of the Committee on the Rights of the Child on harmful practices.

(c) States should establish data collection and monitoring processes in relation to these practices, and enact and implement legislation aimed at eliminating them. States’ provisions should include legal protection and appropriate care for children harmed by such practices, and the availability of redress and reparations.

(d) States should ‘‘recognize the right of the child to the enjoyment of the highest attainable standard of health and to facilities for the treatment of illness and rehabilitation of health.’’ (UNCRC, Article 24). This should include protection of the healthy body of the child from the use of drugs or surgery to effect ‘gender reassignment’ treatment.

(e) States should “ensure that the institutions, services and facilities responsible for the care or protection of children shall conform with the standards established by competent authorities, particularly in the areas of safety and health.’’ (UNCRC, Article 3). This should include preventing organizations that promote the concept of ‘gender identity’, or constituencies that have no clinical expertise or child psychology background, from influencing health services for children.

(f) States should ‘‘respect the responsibilities, rights and duties of parents or, where applicable, legal guardians or other persons legally responsible for the child, to provide, in a manner consistent with the evolving capacities of the child, appropriate direction and guidance in the exercise by the child of the rights recognized in the present Convention.’’ (UNCRC, Article 5). States should prohibit state agencies, public and private bodies, medical practitioners, and other child welfare professional from taking any action which seeks to compel parents to consent to medical or other interventions aimed at changing the ‘gender identities’ of their children.

(g) States should ‘‘recognize the right of the child to education, with a view to achieving this right progressively and on the basis of equal opportunity.’’ (UNCRC, Article 28). This should include the right of the child to the development of school curricula which are materially accurate about human biology and reproduction, and include information about the human rights of people of diverse sexual orientations, taking into account the evolving capacity and psychological developmental stages of the child.

(h) States should ensure inclusion in teacher training and continuing professional development programmes of accurate material about human biology and reproduction, and information about the human rights of people of diverse sexual orientations, which should include the challenging of sex stereotypes and of homophobia.

(i) States ‘‘agree that the education of the child shall be directed to [t]he preparation of the child for responsible life in a free society, in the spirit of understanding, peace, tolerance, and equality of sexes.’’ (UNCRC, Article 29).

(j) This should include measures to ensure that organizations are not allocated state funding to promote sex stereotyping and the concept of ‘gender identity’ in educational institutions, as this constitutes the promotion of discrimination against women and girls.

(k) States ‘‘shall protect the child against all forms of exploitation prejudicial to any aspects of the child’s welfare.’’ (UNCRC, Article 36). This should include effective and appropriate legal measures with a view to abolishing: traditional and emerging practices which enforce sex role stereotypes on girls and boys; diagnosing and treating children as having been ‘born in the wrong body’ when they do not conform to traditional sex role stereotypes; identifying young people who are same sex attracted as suffering from gender dysphoria; and using medical interventions on children which may result in their sterilization or other permanent harms.

SIGN THE DECLARATION

%d bloggers liken dit: